Jenaplan - ritmisch weekplan
Op De Swoaistee delen we de dagen voor de leerlingen zo afwisselend mogelijk in: inspanning afgewisseld met ontspanning. Hierdoor proberen we te bereiken dat de motivatie van de kinderen op peil blijft. Door te zorgen voor een 'ritmisch' dag- en weekplan proberen we tegemoet te komen aan de eigenschappen en behoeften van kinderen. Dit ritmisch weekplan kent vier basisvormen: 'gesprek', werk, spel en viering.
Door gesprek informeren leerlingen en volwassenen elkaar en leren ze elkaar begrijpen. Via het gesprek kunnen de kinderen zich oriënteren op de hen omringende wereld. Er zijn verschillende vormen van gesprek in verschillende situaties: de dialoog en het kringgesprek zijn er twee die we, naast allerlei andere vormen, vaak op school tegenkomen. Onder 'werk' verstaan we al die situaties en gelegenheden waarbij de leerlingen instructie krijgen. Hieronder valt ook het door de kinderen zelfstandig of samen met anderen verwerken van de leerstof of het zich oriënteren op nieuwe leerstof.
Via 'spel' leren de leerlingen o.a. rekening houden met elkaar. Het is dan ook een belangrijk middel. Ze leren iets wat ze geleerd hebben toe te passen in een vrije situatie. Ze verwerken informatie, waarmee ze tijdens het werk wel of geen moeilijkheden hadden. Ze brengen al spelenderwijs problemen tot een oplossing. Ze ontdekken materialen en leren eigenschappen ervan kennen. Ze leren zich emotioneel te uiten en tegelijkertijd met hun emoties om te gaan.Bij 'viering' gaat het om gezamenlijk beleven van gebeurtenissen, elkaar iets toewensen, gevoelens op elkaar overbrengen, verdriet met elkaar delen. Middels viering wordt de gemeenschapszin verbeterd en worden ervaringen uitgewisseld.
Niet altijd lukt het om een goede afwisseling aan te brengen tussen deze vier basisactiviteiten, maar we proberen het zoveel mogelijk.
Niet altijd lukt het om een goede afwisseling aan te brengen tussen deze vier basisactiviteiten, maar we proberen het zoveel mogelijk.Uitgangspunten
De Swoaistee is een school waar gewerkt wordt vanuit het Jenaplanconcept. Uitgangspunten van het onderwijs op De Swoaistee vormen de twintig basisprincipes, geformuleerd door de Nederlandse Jenaplanvereniging (de NJPV). Hieronder worden deze basisprincipes verder uitgewerkt. De twintig basisprincipes zijn verdeeld in drie groepen te weten: Uitspraken over mensen, die gelden voor iedereen in en rond De Swoaistee, zowel kinderen als volwassenen. Uitspraken over de samenleving die recht doet aan 'het mens-zijn'. Uitspraken over de school zelf; hoe wij de school organiseren en hoe wij het onderwijs op De Swoaistee inhoud en vorm geven. Deze groepen uitspraken hangen onderling samen. Als we bepaalde opvattingen over mensen hebben, zullen we ook moeten werken aan een samenleving waarin dit mens-zijn tot zijn recht kan komen. Basisprincipes of uitgangspunten zijn niet vrijblijvend. Het zijn normen en waarden waaraan het leven en werken in De Swoaistee steeds weer getoetst wordt en waarnaar de betrokkenen steeds meer willen werken, waarop ze tenminste als streefdoelen aan te spreken zijn. Deze basisprincipes spelen in de school een centrale rol bij de vormgeving van het dagelijkse werken.
De twintig basisprincipes
Mensen
1. Ieder mens is uniek; zo is er maar één. Daarom heeft elk kind en elke volwassenen een onvervangbare waarde.
2. Ieder mens heeft het recht een eigen identiteit te ontwikkelen. Deze wordt zoveel mogelijk gekenmerkt door: zelfstandigheid, kritisch bewust zijn, creativiteit en gerichtheid op sociale rechtvaardigheid. Daarbij mogen ras, nationaliteit, geslacht, seksuele gerichtheid, sociaal milieu, religie, levensbeschouwing of handicap geen verschil uitmaken.
3. Ieder mens heeft voor het ontwikkelen van een eigen identiteit persoonlijke relaties nodig: met andere mensen; met de zintuiglijke waarneembare werkelijkheid van natuur en cultuur; met de niet zintuiglijke waarneembare werkelijkheid.
4. Ieder mens wordt steeds als totale persoon erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken.
5. Ieder mens wordt als een cultuurdrager en vernieuwer erkend en waar mogelijk ook zo benaderd en aangesproken. Samenleving
6. Mensen moeten werken aan een samenleving die ieders onvervangbare waarde en waardigheid respecteert.
7. Mensen moeten werken aan een samenleving die ruimte en stimulansen biedt voor ieders identiteitsontwikkeling.
8. Mensen moeten werken aan een samenleving waarin rechtvaardig, vreedzaam en constructief met verschillen en veranderingen wordt omgegaan.
9. Mensen moeten werken aan een samenleving die respectvol en zorgvuldig aarde en wereldruimte beheert
10. Mensen moeten werken aan een samenleving die de natuurlijke en culturele hulpbronnen in verantwoordelijkheid voor toekomstige generaties gebruikt.
School
11. De school is een relatief autonome coöperatieve organisatie van betrokkenen. Ze wordt door de maatschappij beïnvloed en heeft er zelf ook invloed op.
12. In de school hebben volwassenen de taak voorgaande uitspraken over mens en samenleving tot (ped)agogisch uitgangspunt van hun handelen te maken.
13. In de school wordt de leerstof zowel ontleend aan de leef- en belevingswereld van de kinderen als aan de cultuurgoederen die in de maatschappij als belangrijke middelen worden beschouwd voor de hier geschetste persoon en samenleving.
14. In de school wordt het onderwijs uitgevoerd in pedagogische situaties en met pedagogische middelen.
15. In de school wordt aan het onderwijs vorm gegeven door een ritmische afwisseling van de basisactiviteiten gesprek, spel, werk en viering.
16. In de school vindt overwegend heterogene groepering van kinderen plaats, naar leeftijd en ontwikkelingsniveau, om het leren van en zorgen voor elkaar te stimuleren.
17. In de school worden zelfstandig spelen en leren afgewisseld en aangevuld door gestuurd en begeleid leren. Dit laatste is expliciet gericht op niveauverhoging. In dit alles speelt het initiatief van kinderen een belangrijke rol.
18. In de school neemt wereldoriëntatie een centrale plaats in met als basis ervaren, ontdekken en onderzoeken.
19. In de school vinden gedrags- en prestatiebeoordeling van een kind zoveel mogelijk plaats vanuit de eigen ontwikkelingsgeschiedenis van dit kind en in samenspraak met dit kind.
20. In de school worden veranderingen en verbeteringen gezien als een nooit eindigend proces. Dit proces wordt gestuurd door een consequente wisselwerking tussen doen en denken